Architectuurgids Delft

Gotiek, 1250-1550

Gotiek: oorspronkelijk Franse, over vrijwel geheel Europa verspreide bouwstijl vanaf circa 1150 tot aan het einde van de middeleeuwen. Vooral aanvankelijk is het de architectuur van de kerkbouw met opvallend gedurfde constructies. De bouwstijl wordt gekenmerkt door een overheersend streven naar slanke structuren en ijle vormen.

 

De oudste nog bestaande gebouwen in Delft zijn gebouwd in de stijl van de gotiek, een stijl die al in de eerste helft van de twaalfde eeuw in Frankrijk werd ontwikkeld. Onder andere via de Zuidelijke Nederlanden bereikten varianten hiervan rond het midden van de dertiende eeuw de noordelijke gebieden. De term gotiek is geen middeleeuwse aanduiding, maar een later door de Italiaanse renaissancearchitect Vasari gebruikt scheldwoord voor deze door hem verachte architectuur.

 

Structureel kenmerk van deze stijl is een duidelijk zichtbare skeletstructuur, met relatief dunne muurvlakken tussen dwars daarop staande, massieve steunberen. Deze zijn onmisbaar voor de ondersteuning van gemetselde ribgewelven in het interieur. Verticaliteit overheerst in de geleding van het geheel en in de afzonderlijke onderdelen. Vanwege het streven naar lichte interieurs zijn de wanden grotendeels geopend door hoge, spitsboogvormige vensters. Daarin zijn decoratieve patronen van dunne stenen staven geplaatst, de zogenaamde tracering. In overeenstemming daarmee zijn ook de zijkanten van de vensters geprofileerd.

 

Vormenrijkdom in de kerkbouw

Deze bij uitstek typerende kenmerken van de gotiek zijn in Delft het best te zien bij twee laatgotische voorbeelden ervan: het Noorderkoor en -transept van de Oude Kerk uit het begin van de zestiende eeuw, en de achthoekige bovenste delen van de vijftiende-eeuwse toren van de Nieuwe Kerk. Beide zijn geheel bekleed met natuursteen. Aan de genoemde delen van de Oude Kerk vallen op de rijk geprofileerde vensterzijkanten en de gevarieerde traceringen in de vensters zelf. Opvallend is ook de decoratie van resterende muurvlakken met de van de vensters afgeleide vormen van blindtraceringen. Deze zijn onder andere aangebracht op de steunberen en als spitsboogfries onder de dakrand. De steunberen hebben als het ware tegen hun voorkanten geplaatste kleine torentjes, elk bekroond met een eigen steil spitsje, zogenoemde pinakels. Een dergelijke vormenrijkdom is ook bij de toren van de Nieuwe Kerk toegepast, onder andere bij de hoektorentjes naast het onderste achtkant. Deze zijn met hun eigen achthoekige spitsjes als miniaturen van de toren zelf. Dit alles vereiste intensief gebruik van het in deze streken ontbrekende, door import dure, natuursteen.

 

De oudere bouwdelen van de Oude Kerk, waaronder de toren, en grote delen van de Nieuwe Kerk tonen in contrast daarmee een in vormentaal gereduceerde, typisch Nederlandse baksteengotiek. De vensters bezitten veel eenvoudiger traceringen en simpele, slechts afgeschuinde zijden. Eromheen resteert beduidend meer muurwerk en er is slechts spaarzaam of helemaal geen decoratie toegevoegd.

 

Delftse bogengevels

Deze vooral voor kerkgebouwen typische vormen worden bij andere gebouwtypen slechts zeer beperkt toegepast, zoals de toren van het stadhuis en de Oostpoort tonen. Ook de weinige overgebleven oude stenen huisgevels van voor de grote stadsbrand (1536) bezitten zeer eenvoudige vormen. Voorbeeld daarvan is het vijftiende-eeuwse pand Molslaan 104, met in de gevel vrij smalle vensteropeningen.

 

Pas de latere zestiende-eeuwse woonhuisgevels, de meeste gebouwd na de brand van 1536, vertonen een rijkdom aan laatgotische vormen. Vrijwel al deze gevels zijn van een in Delft veel voorkomend bijzonder type. Per verdieping springt telkens het gevelvlak iets naar voren op brede, de vensters van de verdieping eronder overspannende bogen. Enkele voorbeelden van deze bogengevels zijn de panden Oude Delft 167 (Huyterhuis), Koornmarkt 81, Voldersgracht 6 en Wijnhaven 16. Ze tonen onder andere diverse laatgotische boogvormen, de boogtoppen soms gevuld met blindtracering. Hiervan is het huis Oude Delft 167 het meest bijzonder, met een geheel uit natuursteen opgebouwde gevel.

 

Banden- en blokkenstijl

Wijnhaven 16 is vooral belangrijk vanwege zijn rijk gedetailleerde natuurstenen onderpui. De bovenste geveldelen van dit pand vertonen de algemene vormkenmerken van de meeste 16de-eeuwse gevels, die overigens ook in de op deze stijlperiode volgende renaissance tot ver in de zeventiende eeuw in gebruik blijven. Deze kenmerken zijn: trapgevels hoofdzakelijk in baksteen opgetrokken, afwisseling van baksteen met natuursteen banden (‘speklagen’), en natuurstenen aanzet- en sluitblokken in de bogen boven de vensters. De vensters zelf bezaten oorspronkelijk in vieren verdeelde kruiskozijnen, onder andere te zien bij Koornmarkt 81. Naar de contrastrijke afwisseling van steensoorten en -kleuren heet dit geheel ‘banden- en blokkenstijl’.

Zoek gebouwen in Delft
Periode
Kaart
zoeken op de kaart