De vier panden zijn als één projectontwikkeling gerealiseerd. Ze hebben dezelfde vloerniveaus en verdiepingshoogten en bovendien een derde bouwlaag onder een groot plat dak. De aanwezigheid van die derde bouwlaag wordt verdoezeld door de schuine dakschilden aan de voorzijde. Dat is een van de middelen waarmee de architect een uiterlijk creëerde dat paste in het stadsbeeld van de oude binnenstad. De vier panden kregen bovendien een eigen individuele gevelvorm. Hoger opgaande gevels worden afgewisseld door lijstgevels. Het eerste pand kreeg een asymmetrische art nouveau topgevel. Het derde pand kreeg een destijds populaire beëindiging met naar boven doorschietende penanten en daartussen een gemetselde balustrade. Het kreeg ook fraaie vensters waarvan de bovenramen getuigen van art nouveau door de bijzondere lijnen van het raamhout. Dergelijke raamvormen paste Kersbergen vaker toe. Het tweede en derde pand zijn weliswaar zeer vergelijkbaar, maar verschillen in breedte.