Het rijtje uitbundig versierde neorenaissance panden aan de Coenderstraat is neergezet als een decor aan de achterzijde van het station. Gregorius van der Kaaden ging er kennelijk van uit dat in de nieuwe wijk achter het station behoefte was aan ruime woningen voor de middenstandsklasse en dat die bewoners geen bezwaar zouden hebben tegen een uitzicht op een station en stationsemplacement. Het rijtje panden is tegelijkertijd een façade die de schone schijn moet ophouden voor de achtergelegen arbeiderswijk, het Westerkwartier. De panden bestaan elk uit een beneden- en een bovenhuis. In de gevelrij is een poortdoorgang opgenomen die oorspronkelijk toegang gaf tot een stalgebouw of koetshuis op het achterterrein. De medaillons in de gevels bevatten portretten van 17de-eeuwse mannen met kragen.